Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

had de broer bewerkt, ingepalmd. Haar hoofd was nog rood van praten, dat van Bosschers rood van 't aanhooren. 't Aanstaande vrouwtje had zeker al haar argumenten aangevoerd, om haar beer van 'n broer gunstig te stemmen voor Greidanus. Dat begreep ze uit de enkele woorden. Ze voelde ineens sympathie voor dat burgerlijk kind, bijna verdroogd, omdat geen partij goed genoeg scheen voor de parvenuïge ouders, — en nu op t kantje van te blijven zitten als oude jongejuffrouw, had ze doorgezet, had ze op haar zelf gehandeld, allen voor 't feit gesteld en nu de broer nog gewonnen. Daar moest toch ras in steken, ook in die rijk geworden plebejers!

Maar terwijl ze dit klaar doorzag, voelde ze als vrouw, dat de verloofde in die korte woordenwisseling met haar broer zeker 'n veertje had moeten missen. Ze kende haar man daarvoor te goed, die was niet mak, had natuurlijk alles gezegd wat hij van Greidanus wist en wat hij van hem dacht,t en 't kon niet anders of haar liefde kreeg hier een eerste duw. Ze zag het, voelde het alsof 't haar zelf gebeurde. Ach dat arme kind!

Bosschers ging op Greidanus toe, reikte hem de hand, zei:

Sluiten