Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

erop; de koffieketel met de kommen, tot 't laatst gespaard, vonden beneden in de hangbak hun plaats.

De wagens waren langzamerhand geworden plompe, breede gevaarten, torenhoog geladen, en tussehen de wielen stopten ze nog bij in de bakken, in de spannend-gevulde netten, die doorbogen als hangbuiken. Zerline, de vrouw, keek nogeens ijverig rond of ze geen kleinigheden ging vergeten. Telkens kwam ze aandragen met knoopjes, lusjes, bouten, pinnen, die ze bij elkaar frommelde en in een hoekje stak.

Pierre slingerde nu een touw hoog over de brol en de bultzakken heen, sjorde onder de as door, gaf t eind aan de baas, die aan de andere kant strikte, het touw weer naar hem oversloeg, waar hij opnieuw het door andere heen kruisknoopte. Beiden wagens stonden nu gepakt. Al wat nog werd gevonden moest in de netten, die al zwaarder gingen spannen, bijna de grond raakten.

De dageraad begon flauw te schemeren in zwakke vegen, die als in weifeling kwamen, en een koud-scherpe wind streek aan, sneed fel-venijnigjes om de ooren.

— A wel baas, zullen we 'es niet an 't kindeke stooten? smuikte Jean komiekerig.

Sluiten