Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

toen haar vader kwam te eterven; al was ze nog zeer jong, 't had haar erg gehinderd, dat er aldoor werd gepraat over geld, 't geld dat er niet was. En toch, nu kon ze begrijpen wat haar eerst raadselachtig scheen.

Vreemd, nu zag ze alles zoo klaar.

't Verloop van de heele dag, de gesprekken van gisteren, 't welde weer voor haar op. Ze zag de schemerlichtheid van vanmiddag, toen langs de franjes de helle dag van de straat binnendrong, de helle zonnedag, die met haar smarten spotte, een gelijke dag van licht, als verleden week terwijl ze met hem wandelde. Wat leek haar het leven toen nog vol, een reeks van dagen, waarvan het einde niet te benaderen viel, — en nu lag alles leeg en dor en kil. Wie denkt, als hij gezond is, aan de dood, wie houdt voor oogen elke dag het besef, dat het de laatste kan zijn, 't herhaalde zich weer in haar.

Ach ja, dit te bedenken zou wel de eenige goede richtsnoer zijn die de mensch in 't leven had te nemen, 't Zou, zoo doende, elke verrassing, uitsluiten — en ook veel van 't geen onafgedaan bleef werd niet zoo licht vergeten, maar zij. verzuimde dat, had dat niet gedaan.

Sluiten