Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

boomen, zichtbaar tot aan de bocht, en het stuk weiland, dat vlak-aan grensde. Het water stond nu hoog en blank in de greppels en slooten en t gras zompte van 't poelend water en de afgewaaide bladeren. Takken hingen geknakt langs de boomen of lagen over de weg, het wittige hout oplichtend bij de breuken. De storm had heel wat neergeworpen.

— Blijf gerust liggen, zei Harrie tot zijn vrouw. We kunnen toch niet verder!

Ze keek dof en droef, maar ze aanvaardde, zei met 'n zucht:

— Geef me 't kind dan ma'r an!

Ze voelde zich neergeslagen, wist dat ze onmogelijk zou kunnen opstaan, en in zooverre was ze blij dat 't regende, zoodat ze haar onmacht hem niet hoefde te zeggen. Met veel inspanning verschoonde ze 't kind, gaf 't weer gekauwd brood te eten, lei 't aan de borst, waarin, niets zat, dook weer gelaten onder de dekens met 't wicht in haar armen, en probeerde opnieuw de slaap te vatten.

Harrie ging nu een emmer buiten onder 't goottuitje van de wagen zetten, schepte een ketel vol uit de sloot, om dat te laten bezinken en te

Sluiten