Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bestaan. Al dadelijk na het in werking treden der wet heeft men van wethouders in groote gemeenten kunnen lezen, die gedwongen waren hun wethoudersambt neer te leggen, dat zij lange jaren met toewijding en volkomen goed hadden vervuld. Maar naast de gevallen, die de groote pers vermeldde, zijn er nog heel wat slachtoffers van de opheffing van deze vrijstellingsmogelijkheid gekomen. Hoe diep beleedigend is daarbij zulk een wetsbepaling. Is het vergunninghouder zijn zulk een schande? Eigenlijk moest het een eere zijn; want als men van zulk goed en zedelijk gedrag is, dat de wet toestaat vergunninghouder te zijn, is het toch zeker wel mooi. Doch neen! De wetgever van 1904 oordeelde, dat iemand, die sterken drank verkoopt, tot niets anders waardig is. Wat! Zou zoo iemand eenig ambt bekleeden! De mogelijkheid er toe mocht voortaan zelf niet bestaan.

In gemoede: zou men de wet niet eens radicaal wijzigen ook op dit punt?

En zou men dan tevens eens goed duidelijk willen zeggen wat te verstaan is onder „eenig openbaar ambt bekleeden?" Dit hangt alles nog heel in de lucht. En de opinie's der autoriteiten verschillen nog al dikwijls. Allemaal kwesties, waarvan niemand anders dan de vergunninghouder de dupe wordt. Zoo las men zelfs in April 1906 in de Staatscourant een Koninkl. Besluit waarbij een vergunning vernietigd werd, die ruim 9 jaar geleden (in Jan. 1897) verleend was aan een commissaris van een veer (te Schoonhoven). Waar zulke zaken geschieden, is de vraag, die we stelden, toch zeker niet onbillijk.

No. 18 van art. 8 spreekt van een „tusschenpersoon". Heel wenschelijk zou het zijn dat de wet een definitie

Sluiten