Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

« Gos-kristus daar hê-je nou de sön ook nog —

en maar liefs vlak imme ooge .... jawèl.... de heele dag sien-je 'm niet en nou komt-ie voor de dag.»

De zon, door 't gordijnlooze achterraam — 't was schoonmaak — glunderde ineenen uit den heel den dag bewolkte lucht naar binnen, vroolijk schijnend over dc natte vloer, belichtte, warm-goud, ook juist 't hoekje, waar de moeder zat.

«Lékker,» kneuterde die .... «ik mag-et wel, zoo'n zonnetje.»

«Nou ja, voor uwes is-et ook een sege, ouwe rimmetieke stakker,» schertste de meid, grof goedig.

De vrouw scheen aan haar ruwe gemeenzaamheid gewend.

«Zing nog maar deris,» spoorde ze aan, «da-hoor ik wel graag.»

Geert lachte, gestreeld, haalde nog eens stevig op door haar neus en zag, bedenkend wat ze zingen zou, naar buiten, oogknipperde tegen de zon.

«Van: nimmer sal me liefde wankele?» vroeg ze, schuin-naar-boven de moeder aanziend.

«Nee,» keurde die af... . «nou eris niet van de liefde .... Liever zoo'n schoolversie .... dat mag 'k nou altoos zoo graag hooren en 'k vraag 't de jongens zoo dikwels .... maar née, hoor . . . . »

«Nou ja, jönges » vergoelijkte Geert— die binne

dan .... hoe sa 'k 't noeme .... verlège, mó-je denke . . . . Sa 'k singe van et «Groene dal?»

Sluiten