Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De altijd ondergane geringschatting was steeds onmiddellijk vergeten, gedwee namen ze, telkens opnieuw, 't onplezierigste van 't spel op zich, meiden-baantje bij 't huishouwetje, zieke pop die niks doen mocht, bij 't doktertje spelen, en protesteerden zelfs niet, als de dokter, bij 't polsvoelen, ze valsch-vinnig kneep. Ze voelden wel, dat ze altijd 'n beetje werden getreiterd, dat 'r altijd 'n complotje was van allen-samen tegen hen, maar ze droegen dat stilletjes, gelukkig al met den schijn van erbij te hooren.

«Nou seg et dan.... wat hê-jullie 'ete ?« vroeg Marietje weer, lijzig zanikend.

«Niks,» piepte benauwd Leentje, maar 'r zusje kwam sussend ....

« Wat komp-er dat nou opan .... 'k mag 't niet segge van me moeder.... 'k Vraag 't jullie toch ommers ook niet. . . .»

«'k Weet 't toch wel, kind. ...» joelde Dieuwertje, «'k weet 't toch wel.... haring-mit-krente .... jullie ruike d'rna . . . .»

Aanstellerig vies-doend stoven ze nu, lachend, uitmekaar, knepen de neusjes toe, beweerden allemaal met lach-proestjes en benepen neusstemmetjes, dat je duidelijk ruiken kon, dat Leen en Saar haring-mitkrente hadden gegeten ....

't Kleine zusje trok 't groote aan de mouw, lippenbevend, fluisterde van maar-liever-weggaan.

Maar daar had-je intiem-gearmd, lachkneuterend,

Sluiten