Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

grepen luid-juichend mekaar beet, door drie korte tikjes aan de gepakte zichzelf dan verlossend van 't vangersbaantje. Maar onder dat rumoerig, schijnbaar ongedwongen spelen nam Jans telkens een der anderen apart, troonde ze mee in 'n hoekje, fluisterde geniepig 'n momentje, tot ze weer lachend, met oogknipjes van plezierige verstandhouding, uiteen liepen, opnieuw zich mengend in het spel. Om de Jodenmeisjes, die heelemaal opgingen in 't vroolijk krijgertje-spelen, niets merkten, weefde zich 'n complotje, stilletjes en valsch. En in hun zucht heel gewoon te zijn, nog niets te laten merken, waren ze benauwd-lief tegen die twee, riepen ze aan, vingen ze, die anders vrijwel genegeerd werden, voortdurend, daarbij maar lachend met tintelende kijkers en zenuwachtige proestjes.

En dan ineenen, riep Jans .... « maissies, afskattten draafde ze vóór naar 't zonnig schuurmuurtje met 't stoffige, kleur overpoeierde spinnenweefzel.

Daar gingen ze allemaal tegen-aan staan, de stevigjonge ruggetjes fiks ertegen klappend, opeendringend, om 't heele rijtje langs 't muurtje te krijgen, de armen strak langs de lijfjes. Timide, zij-alleen niets begrijpend , kwamen de Appeltjes erbij staan. Ze waren nu juist zoo heerlijk aan 't spelen en zoo blij, omdat vanmiddag iedereen lief-dee tegen hen. Dikwijls werd er wèl voor

't spele «afgeskaft > als 'r ruzie was als de

grootsten, de bazigsten 'n pik hadden op deze-of-gene. Die grooten spraken dan af, en de anderen moesten

Sluiten