Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de spiegel, 'n lichten hoofdwenk gevend meteen van 'm niet te storen.

De kachel brandde fel, met genoeglijk snorren, en over de tafel lag alvast 't Sabbathkleed gespreid, zuiver-blank, de opgeweven blokjes in licht relief boven 't gladde wit der gespaarde ruimten uitdonkerend, zoodat 't scheen een heel groot dambord, van heel kleine blokjes. Middenop was wijde schijnsel-kring van de lamp en daar vervloeide 't koud-blanke en schijn-donkere ineen tot glanzend-warm wit. Er was nog niet gedekt en de kinderen, zóó binnen, liepen op de witte tafel toe, beaaiden met liefkoozende vingers 't zachte, blanke kleed. De moeder, met 'r van 't heete keukenwerk rood-gloeiend gezicht, was achter ze aan binnen gekomen en liep, na vluchtigen blik op de klok, recht door naar de keuken, en de beide meisjes, weer van de tafel weg, haar achterna, 't Was daar in de keuken schemerduister, 'n olielampje aan den muur brandde er zwak en rooderig en 't eene raam was dik-beslagen van warmen-waterdamp, die uit de potten op 't fornuis opgewalmd en tegen 't kille glas nat neergeslagen was. 't Droop ook van de dof vochte muren in enkele dikke-droppenstraaltjes.

De vrouw bukte zich over de groote soeppot, waarvan haar de geurige walm tegen 't gelaat sloeg, roerde erin, haalde wat rijst boven op de lepel, die ze critisch bezag, dan weer onderdompelde.

Sluiten