Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

overlegden, wat ze doen zouën. Thuiskomen mochten ze nog niet en de warme kamer daar, waar vader en moeder nu zeker allebei sliepen bij de kachel, trok ze ook maar weinig aan. Ze besloten dan, 't land nu maar in te loopen en greppeltjes-te-springen.

't Doodloopend padje van maar 'n twintig verzakte, schamele huisjes, gescheiden door rommelige erfjes, vol met regentonnen en vergane kippehokken en stapels oud roest, was algauw ten end. Bij 't laatste huisje, dat met z'n smerige zooi van schuren en bijhokken aan 't weiland grensde, verliep 't smalle plaveisel-strookje — 't padje was maar over halve-breedte bestraat — in 'n soort van soppige modderkuil, te groot voor 'n oversprong en waar de kinderen op hun teenen doorheen tripten. De breede sloot lag vol met rommel en steenen. die de jongens daarop geworpen hadden, om 't ijs te beproeven. Magere musschen pikten er met hun kittige snaveltjes in den afval, de kopjes in snel op-en-neer beweeg en dan telkens links-en-rechts met schitterblikjes van slim-schuwe oogies. Verderop zat een eenzame, zwarte kraai, de kop droefgeestig neer in z'n glanzende halskraag; even kraste hij, doelloos, vloog dan loom op, de grauwe, gesloten hemel tegemoet.

In 't land waren meer kraaien. Kleumsch zaten ze verdoken in 't dorre, korte gras, waartusschen overal kille ijzel was geweven —, en heele troepjes schoolden er bijeen op de rechte greppels, waar 't ijs, onaange-

Sluiten