Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ma moet met pa mee (enz.).

mat ma (enz.).

mat ma met een maat? mat miet met een maat? mat moe met een maat? mat mies met een maat? mat mie met een maat? mat mien met een maat? mat moos met een maat?

mag moe mee? (enz.)

maas dat gat goed toe. maak dat gat gautc toe. maak die mof toch niet zoo vet.

moet die man met moos mee ?

die man eet ham.

die bok is tam.

die hom is van die visch.

die boom is hoog.

piet is dom.

tom is niet dom.

sam en sem gaan saam mee.

die som is niet goed.

wim en tom eten saam

die pap op.

die kam is oud.

kom mee met moe. kom, neem die kam van die kom !

een kam van een haan.

daan eet een koek uit een pan.

met miet mag ot mee. mag mien met een mes eten? maak die hom op!

maak dat mes toe, oom! maak dat af!

daan is dan goed af.

een ton heet ook een vat.

woon ik in een huis?

had pa hum ?

had da ham?

had ot ham?

had pauw ham?

had wout ham?

had piet ham?

had fie ham?

had eef ham?

had ka ham?

had koo ham?

had koos ham?

had kee ham?

had kees ham?

Sluiten