Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

prediker, die de verzamelde schare aanziet voor een hoop hoorders, die uit den wilde saamkwamen, en onder wie misschien enkele „leden Christi" schuilen, maar wien hij het nu overigens eens zeggen zal hoe het is.

Neen, die verzameling is de gemeente; oud of jong, dat doet er niet toe. Daarom zijn kinderkerken ook zoo af te keuren. Niet om te vitten op hen, die in den algemeenen nood den kinderen liever iets gaven dan niets. Maar af te keuren in beginsel. Een gedoopt kind is gedoopt als lid der gemeente, als lidmaat van Christus, en hoort dus daar waar de gemeente vergadert. „Of ge niet belijdt dat onze kinderen in zonden ontvangen en geboren zijn, maar in Christus geheiligd, en dat ze daarom als zijn lidmaten behooren gedoopt te wezen."

De gemeente moet dus aangesproken als: „Geliefde broeders en zusters in onzen Heere Jezus Christus!"; niet enkelen in baar midden, maar de gemeente. Niet om te zeggen: hoofd voor hoofd erken ik u voor zoodanig. Daar weet de dienaar des Woords niets van af. Maar om te getuigen: „Ge werdt het reeds door wedergeboorte, zonder het te weten, of ook gij voert valschelijk dien eeretitel; maar hoe het ook met u sta, dat en dat is de hoedanigheid, waaronder ge hier nederzit, en als zoodanig heb ik u te behandelen."

Wel wordt hierbij toegestemd, dat door zondig verloop van den kerkstaat de spanning van dit ideaal met de droeve werkelijkheid, zeer schrikkelijk kan wezen. Maar hoe verminkt de gemeente ook zij, ja, ook al lag ze gansch van zichzelve en ingeslapen, ze blijft toch de gemeente en moet als zoodaniy behandeld. Wie dat hooge standpunt prijs geeft, ondermijnt haar leven!

Gelijk nu echter in een huisgezin een wicht van drie maanden anders wordt behandeld dan een volwassene; een volgzaam kind anders dan een weerspannige jongen; en een zieke weer anders dan een gezonde; zóó ook moet het in de gemeente Gods zijn.

Hoe klein ook dat wicht is, hoe ondeugend ook die jongen, hoever die kranke ook heen, toch behandelt men ze als menschen en leden van het yezin, maar ieder overeenkomstig zijn toestand. En zoo ook zou men een zeer slecht uitdeeler des Woords zijn, indien men alleen rekende op de gezonde, volwassene en volgzame gezinsleden, en niet ook melk bereidde voor de kleine, of een druif voor de brandende lippen van den kranke aanbracht, of ook het droog brood als straf voor den weerbarstige vergat.

Het moet voor ieder naar zijn aard zijn, maar voor een ieder spijze; voedende spijze; spijze die er bij hem in kan. De bedienaar is op den kansel niet leeraar eerst, maar vóór alle dingen herder. Een herder die weide voor zijn schapen en weer andere weide voor zijn lammeren opzoekt, en saam ze leidt aan zeer stille wateren; ook, als het moet, ze met den staf raakt, of door den hond in de VI 3

Sluiten