Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Pit zeggen dient gestaafd.

Mogen we daarom onzen lezers verzoeken het vierde kapittel van Zacharia's godspraken te willen opslaan en de valschelijk aangehaalde en alzoo misbruikte woorden even in hun verband te willen nagaan.

Er is in dit hoofdstuk sprake van Zerubbabel, den vorstelijken prins, nu Juda's stedehouder, die niet stil zat, die het niet bij vermaan en betoog had gelaten, maar wel terdege had toegetast, de hand aan den ploeg had geslagen en tot de daad was overgegaan. Het huis Gods, centrum en symbool van Israëls kerk, lag voor den grond, en het kon er niet weer komen, of het moest gebouwd worden. Er moesten dus maatregelen genomen, er moest tot besluiten gekomen, er moesten stappen gedaan worden, en dat alles ondernam Zerubbabel; hij had weer opgericht de slappe handen en de trage knieën bevestigd; want duidelijk staat er in vers 9: „De handen van Zerubbabel hebben dit huis gegrondvest."

Nu is de vraag, wat komt nu in dezen stand van zaken de heilige godspraak: „Niet door kracht noch door geweld, maar door mijnen Geest zal het geschieden," doen?

Komt ze Zerubbabel bestraffen en hem zeggen: „Staak toch dat werk, en die besluiten, stappen en maatregelen!" gelijk onze tegensprekers dat ons gedurig toeroepen? Of wel strekt de godspraak juist, om Zerubbabel aan te moedigen, dat hij toch niet aflate, den moed niet late zakken, maar doorga en het begonnene voleinde?

Dit kan uitgemaakt.

Immers, er staat zeer duidelijk in vers 9 : „De handen van Zerubbabel hebben dit huis gegrondvest, zijne handen zullen het ook voleinden."

En hoe „voleinden"? Voleinden, ah een vloek? Voleinden, zooals God de Heere soms een afdolend zondaar zijn pad laat afloopen, om hem zijn vreeselijke uitkomst zelf te laten vinden? Voleinden dus in een van God gedoemden zin?

o, Neen, volstrekt niet. Lees maar verder. Want, luister, er volgt onmiddellijk op: „Zerubbabels handen zullen het ook voleinden, opdat gij weet, dat de Heere der heirscharen mij tot ulieden gezonden heeft." Een profetie nog scherper geteekend in het 7e vers, waar van Godswege gezegd werd door den engel: „Zerubbabel zal den hoofdsteen toebrengen, met toeroepingen: genade, genade zij denzelven!" Nu is met den hoofdsteen, die sluitsteen van den gevel bedoeld, die er pas inkomt als het huis af en voltooid is. En vast staat alzoo, dat God de Heere, wel verre van tot Zerubbabel te zeggen: „Dat toetasten, dat doen, dat gebruiken van de handen deugt niet, laat daarvan af, Ik zal het met mijn Geest wel buiten uw maatregelen doen!" veeleer omgekeerd hem aanspoort en bemoedigt, om op den ingeslagen weg Toort te gaan, en dat de Geest des Heeren zich juist daarin betoonen zal, dat de handen van Zerubbabel ijverig voortgaan in het doen om het aangevangen werk te brengen tot voleinding.

Sluiten