Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar, zoo zal men vragen, wat beteekent dan toch dat zeggen van „kracht'en geweld?" Dat staat er dan toch maar! En die „kracht en 'dat geweld" worden dan toch maar aan den „Geest des Heeren" tegenovergesteld !

En dat is ook zoo. En heerlijk dat het zoo is!

Maar hoe?

Dat toont ons vers 7. Daar toch wordt ons gezegd, dat die kracht en het geweld aanwezig waren in dien „grooten berg'', die tegen Zerubbabel overstond, zijn bouw bedreigde en al het aanzien had, alsof hij op den half voltooiden tempel neêr zou storten; om diens voleinding te beletten. Die „groote berg", waarvan het in vers 7 heet: „Wie zijt gij, o, groote berg? Voor het aangezicht van Zerubbabel 'zult gij worden een vlak veld!" beduidt naar tamelijk eenparig gevoelen der uitleggers: de vijandige wereldmacht der volkeren, die elk oogenblik Israëls volksbestaan met vernietiging bedreigde.

Het had er dus alles van, alsof Zerubbabels werk eigenlijk een onbezonnen werk was! Wat zou het geven! Verspilling van geld en kracht! Anders niet. Want zie, de tijden waren zoo onzeker. Er was geen welgeordende staat! En zoo lag het immers voor de hand, dat Zerubbabel hoogstens halfweg met den bouw zou komen, tot weer uit het Noorden of Zuiden of Oosten een leger tegen Jeruzalem optrok en alles verwoestte met geweld en met kracht.

Deed dan Zerubbabel eigenlijk niet maar beter met het op te geven ? Met van het grootsche werk af te zien? Met den bouw te staken ? Zie, als die vijandelijke heirlegers aan kwamen rennen, zou hij immers toch geen „kracht en geweld" hebben om aan die kracht en dat geweld van den „grooten berg" tegenover te stellen?

En zie, dat roepen der moedeloozen en geloofloozen had blijkbaar invloed op Zerubbabel gehad. Door dat voorspiegelen van geldverspilling en krachtverspilling was de moed onder het volk gezonken. En zie" nu komt de Heere God door zijn engel Zerubbabel bemoedigen, aansporen, troosten en in nieuwe geestdrift ontvonken, dat hij toch niet staken zou wat begonnen was, want dat hij, Zerubbabel zelf nog de voltooiing van den bouw beleven zou en dat door zijn eigen handen!

En hoe bemoedigt de Heere hem daar nu toe? Op drieërlei wijs: Vooreerst door de goddelijke belofte, dat Zerubbabel zelf nog de voltooiing beleven zou; ten tweede, door hem in die tempel voltooiing een profetie van de voleinding van het Godsrijk te doen zien, maar ook ten derde door hem duidelijk de oorzaak op te geven, waarom hij voor dien „grooten berg" volstrekt niet bang behoefde te zijn

En dat laatste dat is het nu, wat de Heere doet door tot Zerubbabel door zijn engel te laten zeggen: „Zerubbabel, zoon van Sealthiël, laat u door het aanschouwen van dien grooten berg, door het aanzien van al de kracht en al het geweld, waarover de heidenen beschikken, niet ontmoedigen. Indien het door kracht en geweld m

Sluiten