Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

was om dat wonder in zijn majesteit te sehooner te doen schitteren, dat het gebod om niet te strijden uitging. Zonder het wonder verviel het vanzelf. Denk u het wonder weg, en geen „stil doorloopen" had kunnen bestaan.

En dat ligt in den aard der zaak.

God de Heere werkt op tweeërlei wijs, 't zij door menschen, 't zij zonder menschen. Middellijk, of onmiddellijk. Gewoon of door het wonder.

Want als God zonder menschen, buiten hen om, een daad doet, dan komt er een tegenstelling. Dan is het: „niet gij, maar God!" Dan staan God en mensch tegenover elkaar, en eischt juist de toestand, dat de mensch geen hand verroere, opdat het te scherper uitkome: „Hier werkt God de Heere zelf, alleen, zonder eenig mensch als instrument te gebruiken."

Leefden we dus nog in die periode der openbaring van Gods onmiddellijke wondermacht; en hadden onze rustige stilheidminnaars een mededeeling uit den hemel aan te wijzen, dat de Heere op het punt stond, nogmaals zulk een wonder te werken; en dat uit dien hoofde ons gelast werd, er ons buiten te houden, stil te zitten en af te wachten Zijn doen, — natuurlijk dan zou het ganschelijk goddeloos, schennend en vermetel zijn, indien we dan desniettemin ook maar een vinger uitstaken.

Maar dit is niet zoo. Het tijdperk van de openbaring van Godes onmiddellijke wereldwonderen is voorbij. Wel zijn er nog Voorzienigheidswonderen, d. w. z. wonderlijke voorzieningen in onzen nood, maar die toch middellijk door menschen ons geworden. Wel zijn er nog zielkundige wonderen, in de macht die een geestelijke werking soms ter genezing van het lichaam heeft, maar die toch evenzeer middellijk, door menschen, gaan. En wel zijn er eindelijk nog geestelijke wonderen der wedergeboorte, maar die toch ook deels door het Woord gaan, deels in de verborgen scheppingsgeheimnissen vallen, en alzoo niets gemeen hebben met wonderen als eens aan Israël zijn verheerlijkt.

Zulke onmiddellijke wereldwonderen zijn er niet meer. We zeggen niet, dat God de Heere ze niet meer kan doen. Zijns is de Almacht en wie heeft ooit zijnen wil wederstaan? Alleen dit spreken we uit, dat het zijn bestel, zijn welbehagen niet is, nu, in ons midden, nog soortgelijke onmiddellijke wereldwonderen te doen. Ze zullen nog eens schitteren bij 's Heeren wederkomst op de wolken. Maar in den tusschentijd, dien wij beleven, zijn ze er niet.

Hierdoor nu zinkt geheel de grond, waarop onze minnaars van stilheid en trage ruste hadden post gevat, hun onder de voeten weg. Immers komen er geen onmiddellijke wonderen meer voor, of ontbreekt ons althans alle recht, om op zulke onmiddellijke daden Gods te rekenen; en staat het alzoo vast, dat al 's Heeren doen met zijn

Sluiten