Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Jobs raelnatschheid, dan springt het in het oog, dat het bij pestilentie of melaatschheid, bij menschenterging of satanische verzoeking, eigenlijk al één vraag is en blijft: „Indien dan God de Heere deze pestilentie of deze verleiding of deze duivelsverzoeking over u gehengt, is het dan zijn wil, dat gij er desniettemin tegen ingaat, dan wel, dat ge het over u laat komen, stille zit en inzuigt het u ingedropen en ingespuwd gif?

Zoo ziet men dus, dat de vraag der lijdelijkheid, eigenlijk dan eerst zuiver principieel te staan komt, als we haar vóór alle dingen toepassen op de Satanische inwerkingen op ons persoonlijk leven en het leven van ons volk.

En komen we met het oog daarop nu tot de Heilige Schrift, dan zal noch kan het ons moeilijk vallen, om een gereed, duidelijk en beslist antwoord te vinden.

Tot de Heilige Schrift namelijk in haar besliste uitspraken.

Zij toch die tegenover Satan zelfs „lijdelijkheid" prediken, wat doen die! Dit: Ze zeggen: Leert niet de Heilige Schrift, dat Satan door God tegen ons wordt losgelaten? En nadat hierop toestemmend geantwoord is, vragen ze ons: of hier dan niet uit volgt, dat wij er ons niet tegen verzetten mogen, want dat God toch iets niet over ons zou laten komen, als het niet over ons komen moest.

En zie daarin nu juist zit hun fout. Wat God bedoelt en voorheeft willen ze uit een redeneering opmaken. Ze vernemen het feit: dat God Satan tegen ons loslaat, en uit dat feit besluiten zij nu door eigen redeneering dat dan ook God niet kan willen dat wij er iets tegen doen.

En tegen dat soort van redeneeren uit derf Bijbel nu verzetten we ons met alle macht. Omtrent Gods bedoelen weten we niets, tenzij het God belieft het ons opzettelijk te openbaren. Of God dus bedoelt dat we tegen Satan strijden zullen of hem geworden laten, mag niet bij gevolgtrekkim/ uitgemaakt, maar moet aan de stellige openbaring der Schrift gevraagd.

En wat vind ik nu in die Heilige Schrift? Drieërlei: 1°. het feit dat God Satan op ons in laat gaan; 2°. de openbaring dat God desniettemin wil dat we tegen Satan strijden zullen; en 3°. de aanduiding van wat ter oplossing van den schijnbaren strijd tusschen deze beide uitspraken, ons reeds kon worden meegedeeld.

Een feit.

Het feit namelijk, dat Satan niets tegen ons vermag dan onder het goddelijk bestel. Dat toont de geschiedenis van Job. Paulus als hij in 2 Tim. 2 : 26 schrijft: „Of God hun te eeniger tijd bekeering gave tot erkentenis der waarheid en zij wederom ontwaken mochten uit den strik des duivels, onder welken wij gevangen waren tot zijn

Sluiten