Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En zoo komen we nu dan toe aan de vraag: Wat te doen tegen de krenking, die ons 'tzij in onzen persoon, 'tzij in onze heiligste belangen door menschen wordt aangedaan ?

En dan beginnen we terstond met het schrikkelijkste en ontzettendste, t. w. met den oorlog, om daardoor tevens terstond te doen uitkomen, wie van oudsher de eigenlijke lieden der lijdelijkheid zijn, namelijk volstrekt niet de gereformeerden, maar juist de door alle gereformeerden zoo beslist bestreden „Wederdoopers".

Van den aanvang der Reformatie af zat die doopersehe lijdelijkheid een deel van ons Hollandsche volk in het bloed, evenals een ander deel door alle eeuwen in den antinomiaanschen gruwel van het Hattemisme vervalt. Ge kunt daartegen ijveren wat ge wilt, maar het baat u niets. Er bestaat eenmaal blijkbaar in onzen volksaard, althans in sommige deelen van ons land, zekere voorbeschiktheid om óf in „doopersehe" lijdelijkheid of in antinomiaansch Hattemisme te verloopen. Dat is niet nü pas zoo, nu de kerk krukt en krank is, maar dat greep evengoed plaats, toen in de dagen van 1'ontiaan van Hattem de kerk kloek en kras stond. Voor een tijd kunt ge die droeve verschijnselen onderdrukken, maar, als het een tijdje geduurd heeft komen ze toch weer boven. Ook in Engeland en Schotland (veel minder in Duitsehland en Frankrijk) heeft zulk een ongezonde, kranke neiging steeds bestaan. Dat maakt de zonde. De zonde in dien bepaalden vorm waarin ze zich bij zulk een landaard uit. En wel juist dan uit, wanneer te midden van zulk een zondige praedispositie het ware, klare, volle Evangelie gepredikt wordt. Want wel is zulk een verschijnsel algemeen en had zelfs Paulus de heilige apostel des Heeren er reeds mede te kampen, maar toch zóó vastgezet, onder zoo onverwrikbare en onverzetbare gestarnten, als in Engeland en ten onzent, vertoonde het zich elders toch bijna nooit.

Bestrijding van dit „doopersch" en „antinomiaansch" dolen is alzoo plicht; maar te leur gesteld zult ge uitkomen, indien ge u inbeeldt het met een enkele predicatie er te zullen uitslaan. Daarvoor zit het veel te diep. Het is de onkruidwortel, die geslingerd zit om den wortel van de volle genade. En nu zullen daarom de meesten u beletten er dien onkruidwortel uit te rukken, omdat ze vreezen, dat ge tegelijk er ook den diepen genadewortel meê uit zoudt trekken. Alleen zeer voorzichtig beleid belooft hier dus baat. Merkt de verslingerde ziel, dat gij om den diepen genadewortel u niet bekreunt, dan kunt ge ganschelijk niets beginnen en slaat ze van zich af. En alleen dan, wanneer het gevoeld wordt, dat ge voor den diepsten genadewortel minstens evenveel voelt, kunt ge mischien een enkel maal door 's Heeren gunst zulk een ziel bevrijden.

Daar zitten dan ook de redenen in, waarom de halve orthodoxie, die steeds zoo bitter over „ziekelijke verschijnselen in de gemeente"

Sluiten