Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

indruk, dat het verschil in heiligheid geenszins zoo hoog is aan te slaan, dat zich hierin het onmetelijk verschil van „nog in de groote zonde liggen" en „aan de groote zonde ontworsteld zijn" zou verraden.

Kon men hun een middel aan de hand doen, om de vernielende werking der zonde, die nu deze zestig eeuwen het gelaat der kerk misvormd heeft, op afdoende wijze te breken en tot staan te brengen, o, dan zult ge hen van heeler harte bereid vinden, om zoo Zaligen droom meê te gaan droomen. Maar kan dat niet, verklaart men zich daartoe onbekwaam, en kan men het niet verder brengen dan tot het afsnijden van het onkruidplantje, terwijl het <mVx\iï&worteltje in den bodem blijft zitten, dan achten ze zich tot het koesteren van zoo schoone hope niet gerechtigd; dan oordeelen ze dat het zich inzetten in zulk een zuiverder staat een gedwongen en onnatuurlijk karakter draagt; en wel verre van geestelijk diep te gaan, veeleer niet kan voldoen aan de dieper ingeleiden, die over de schriklijke macht der zonde eiken dag opnieuw ontzet staan, en in het heden er zich altoos weer over verbazen, dat ze gisteren hun eigen aandeel in die ontzettende schuld zeiven nog zoo veel te laag konden aanslaan.

En hiermeê zal naar we hopen het verschillend uitgangspunt tusschen de zalige droomers en de nuchterder strijders duidelijk zijn geteekend.

Broeders, het geldt hier een ernstig geestelijk belang.

Wacht u daarom dat ge bij het lezen van dit opstel aan bestaande onderscheidingen in onze kerkelijke toestanden zoudt gaan denken, en b. v. gissen: „o, Die droomers zijn zeker de gescheidenen, en die nuchterder strijders zijn dan zeker de gereformeerden in de groote kerk."

We bidden u, wacht u toch voor zulke oppervlakkige indeelingen.

De grens die we hier in stippen uitteekenden is een geestelijk spoor, en een geestelijk spoor loopt nooit evenwijdig met uw geknutselde grenzen.

Neen, er zijn aan beide kanten én zalige droomers én nuchtere dienstknechten des Heeren, en het doel waarop we aan moeten arbeiden is niet, verheerlijking van eigen groep en smading van anderen, maar veeleer om als voor het aangezicht des Heeren de heilige dingen heiliglijk te ontleden, opdat wie uit de waarheid is, bij de waarheid valle, en er alzoo een drijving des Geestes kome, die de broederen om de eere Gods bekommerd kan maken, onverschillig of die broederen nu nog irenisch of darbistisch heeten en huizen in een kerk die groot is of klein.

Sluiten