Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sekten en der zalige droomers vallen van te zeggen: „Het kerkverval komt door de zonde der wereld en de lauwheid der broederen, en ik, groote ij veraar, die aan die lauwheid geen deel heb, zal nu de hutte Davids eens weder oprichten!" Eer is dat roepen van: „Gaat uit van mij, ik ben heiliger dan gij!" hem een diep zondig zeggen, dat hij verafschuwt en verfoeit. En dat zoo sterk zelfs, dat hij omgekeerd juist door een diep besef van eigen schuld en zonde en door het bewustzijn, van persoonlijk meer nog dan anderen den brand der zonde te hebben aangeblazen, uitgedreven wordt tot het bezielde pogen, om van de wateren, die in de heilige bedding vloeien, te werpen op het vlammende dak.

Maar hoe nu, zal eenig lezer misschien met kwalijk verholen bevreemding vragen, hoe nu? Tegen het lijdelijk berusten zoudt ge ingaan, en ziet, gij wordt zelf haar tolk, haar pleitbezorger, haar bezielde aanpreeker!

Wie zoo vraagt, miskent intusschen onze bedoeling en verstond niets van den eisch, dien het door ons op den voorgrond gestelde beginsel, aan elk lid en elk ambtsdrager der kerk brengt.

Immers tegenover den knorrigen klager of zaligen droomer hebben we niet den onaandoenlijken stilzitter, maar den nuchtercn strijder geplaatst, en we komen er nu aan toe, om de tegenstelling te laten uitkomen, die dit denkbeeld van nuchteren strijd met de geestelooze en beginsellooze tactiek der driftige, woelzieke ijveraars vormt.

Wel terdege willen we strijd, is rustelooze strijd naar luid van Gods Woord onafwijsbare plicht, en moogt ge geen oogenblik wijken met ongeoorloofde onderwerping. Wat van dc Levieten telkens en telkens geschreven staat, het geldt ook van u, o priester in het huis des Heeren, dat heel uw dienst moet zijn: „een strijden van de strijden Gods" in het „waarnemen van de wacht en van den dienst des Heeren" (vergelijk Sum. 4 : 28, 8 : 24 enz. alsook het inkomen tot den strijd, Num. 4 : 3, 30, 35, 39, 45, enz.)

Dit strijden is dus het eigen kenmerk, de diepste opvatting, het wezenskarakter van den dienst aan het huis des Heeren. „Krijgsknecht Christi" is daarom elk gedoopte des Heeren. En een ieder die in het ambt ingaat, behoort te weten, „dat hij inkomt tot dezen strijd", gelijk het van de Levieten heet.

Nu is dit strijden bedoeld van een strijden voor God tegen Satan. Een deelnemen aan den strijd dien God zelf tegen Satan voert. Dien Gods goede, uitverkoren engelen tegen Satans engelenscharen voeren. Den strijd dien Gods Woord met der duivelen en menschen woorden heeft. Den strijd van de wereld tegen den Koning' der heerlijkheid, van den geest tegen het vleesch, den strijd in ons, den strijd buiten ons, kortom heel dien nimmer eindigenden strijd, die van God uit-

Sluiten