Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

al bijaldien hun hardnekkig verzet tegen de gereformeerden en hun veroordeelen van onze gedragslijn, naar recht is, dan ligt er niets dan owrecht op de wegen der Hervorming, en waren de paden der helden Gods, die als Hervormers optraden, eigenmachtig, revolutionair en dus goddeloos.

Wat recht is, hangt aan geen eeuw. En of er sprake valt van de Hervormers, die vóór dri" eeuwen leefden, of wel dat er sprake komt van het volk des Heeren dat zich in deze eeuw voor het Koningschap van Jezus opmaakt, altoos moet het oordeel naar vasten maatstaf geveld; en die maatstaf hangt uitsluitend aan den ijk dier eeuwige beginselen, die onverwrikt en onbewogen van geslachte tot geslachte bestaan.

Heeft het legitimisme zijn grond in die eeuwige beginselen, dan is ook de eer dier Hervormers, hoe lief ze ons ook waren, niet langer te redden, en dient erkend en zelfs met ootmoed beleden, dat deze hooggeprezen mannen metterdaad tegen den Heere zijn ingegaan; hun weg voor zijn weg in de plaats hebben gesteld, en schuldig zijn aan revolutionair bedrijf.

Daarentegen, indien de Hervormers vrij uitgaan; wel in Gods weg wandelden; en niet revolutie in de kerk maakten, maar door Gods Woord in eere te herstellen ook in het kerkregiment juist een einde maakten aan de bestaande revolutie; — dan valt ook, onherroepelijk en onweersprekelijk, heel het stelsel van het legitimisme, en is het plicht van 's Heeren volk in den lande, om weerstand te bieden aan die misleide broeders, die ook nu weêr, tot zelfs in gereformeerde vormen, datzelfde legitimisme nog eens pogen door te drijven. Dan mag men voor het vroom geroep dezer broederen niet uit den weg gaan, overmits ze, hoe vroom ook in andere punten, in dit ééne punt zeer onvroom handelen. En moet, mede ter wille dezer broederen, in den geest der liefde zoo lang en zoo indringend het vermaan naar hen uitgaan, tot ook zij ten slotte het oor leenen en hun verkeerdheid inzien en met belijdenis van schuld van hun echt Roomsehe practijk aflaten.

We zeggen van hun Boowsche practijk, want zie, juist de Koomschen zijn het, die in de eeuw der Hervorming de gedraging der Hervormers luide gispten, en ook nu nog ons gedurig toeroepen, dat we door den schuldigen Hervormeren de hand boven het hoofd te houden, ons medeschuldig maken aan hun revolutionaire schuld.

Zij eischen dan ook telkens en met klimmenden aandrang dat we ons oordeel over de Hervormers zullen omkeeren in zijn tegendeel; van de „gevloekte en verfoeide" in plaats van een „gezegende" Kerkhervorming zullen spreken; en op 31 October in steê van met een gewaad des lofs, veeleer met een zak om de lenden en met assche op het hoofd in Godes voorhoven zullen verschijnen, om te beweenen de schriklijke zelfverblinding die onze Hervormers bewoog, om in

Sluiten