Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ik heb het geloof behouden, voorts is mij weggelegd de krone der rechtvaardigheid!"

Op dat „houden" en niet loslaten komt het bij de lijdzaamheid van Gods kinderen aan. Alle druk, alle smaad, alle vervolging heeft geen ander doel, dan juist om ze tot prijsgeven van hun geloof, tot laten varen van hun hope, tot loslaten van hun dierste pand te dwingen; en daartegenover nu moet de lijdzaamheid als een kracht schitteren' die zich niet laat dwingen; die met onbuigbare wilskracht de hand[ waarin het kleinood gegrepen is, houdt dichtgeklemd; die nooit toegeeft; nimmer loslaat; en den vervolger door hopelooze onverzettelijkheid afmat.

„o, Timotheus," roept daarom Paulus zijn trouwen helper toe „bewaar het pand u toevertrouwd!" Alles niets, heet het aan de' Hebreën, „indien we maar de vrijmoedigheid en den roem der hope tot den einde toe vast behouden.'''' „Dewijl we dan eenen zoo grooten Hoogepriester hebben, die door de hemelen doorgegaan is, zoo laat ons onze belijdenis vdsthouden." „Laat ons," heet het elders, „de onwankelbare belijdenis der hope vast behouden'." Ja, waar Satan eindelijk ziende, dat we ons kleinood niet willen loslaten, dan maar onze ziel en heel onzen persoon wil meetrekken, moeten we door onze lijdzaamheid het bezit van die ziel zelve handhaven '), en als Mozes „ons zeiven vasthouden", gelijk in het „kleine martelaarsboekje" (zooals onze vaderen Hebreën elf noemden) van hem geschreven staat: „Hij hield zichzelven vast, als ziende den Onzienlijke!"

Daarom hooren lijdzaamheid en geloof saam, naar wat Paulus aan Thessalonica schrijft: „Wij roemen van u in de gemeenten Gods van uwe lijdzaamheid en uw geloof in al uw vervolgingen en verdrukkingen" (zie ook Openb. 2 : 19 en 13 : 10). Immers de lijdzaamheid bestaat er juist in, dat we door geen smart of smaad, hoe fel en bitter ook, ons van ons geloof laten afbrengen, niet dulden dat de waarheid Gods voor ons verduisterd wordt, en op de vraag: „Houdt gij nóg vast aan uwe oprechtheid?" kloek en dapper ten bescheid geven: „Ja, nóg!"

Evenzoo hoort bij de lijdzaamheid „de liefde", gelijk Paulus nogmaals aan de hard vervolgde en daarom in lijdzaamheid zoo geoefende gemeente van Thessalonica toebad: „De Heere richte uwe harten tot de liefde van God en de lijdzaamheid van Christus" (zie ook 1 Tim. 6 : 11; 2 Tim. 3 : 10). Want zie toch, het lijden wel door te staan, maar met een morrend hart, heeft met de deugd der lijdzaamheid niets gemeen. Dan is veeleer Satans toeleg bereikt. Dan heeft hij twijfel aan de liefde Gods in uw hart gestrooid en daardoor de liefde vóór Jezus in uw hart doen verkouden. Alle dingen werken meê ten o-0ede maar slechts „dengenen die God liefhebben" en' door geen pijn of

*) „Bezit uwe zielen in uwe lijdzaamheid!"

Sluiten