Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

valler met smaad en schande is afgedropen en voor het oogenblik niet meer aanvallen durft.

Yoor de lijdzaamheid is het dus niet de vraag of ge het geloof elk oogenblik vasthebt, maar of elke nieuwe worsteling, die weêr als een golfslag op u aanstuwt, nooit eindigt dan met den uitroep: „Meer dan overwinnaar door Christus die mij kracht geeft!"

Natuurlijk is als één worsteling daarbij saamgevat, wat vaak in tien, twaalf gedeeltelijke strijden uiteenvalt. Zoo kan het dan zeer wel zijn, ja, is het bijna altijd zeker het geval, dat we in drie, in vier, in vijf van die onderdeelen bezwijken, soms tot in elf onderlagen, maar toch overwinnaar bleven, doordien we in de eindbeslissing toch triomfeerden: aldus gered, in der waarheid, „als een brandhout uit den vyere."

Slechts houde men daarbij vooral in het oog, dat ook anderer zonde en het meest de zonde in het eigen hart ons uit die lijdzaamheid zoekt uit te drijven. Ook tegenover zijn eigen zonde moet men lijdzaam blijven. Men versta nu wél: dit wil niet en nimmer zeggen dat ge uw zonde maar moet laten geworden; lijdzaam is, dat ge, wat er ook komt, uw geloof vast behoudt; en lijdzaam te zijn tegenover uw eigen zonde beteekent derhalve dat ge u door den distel in uw eigen hart, hoe die u ook steekt en de vingers in brand zet, niet moogt laten afbrengen van uw geloof.

En dat nu, mijn lezer, is het bangste en zwaarste kruis, waartegen de lijdzaamheid door ons te oefenen is.

Wat doen we gewoonlijk? We plegen tegenover die distelplant in onze ziel ongeduldig te worden. Zie, zoo dikwijls besloten we reeds haar uit te rukken; meer dan eens hebben we er onze hand al aan gewaagd om ze forsch aan te grijpen en met wortel en al in de diepte der hel te werpen; maar nooit ging het; nog altijd is ze er; nog telkens steekt ze ons met haar scherpe doornen haar giftig sap onder de huid. En, niet waar, ook er om gebeden, dat God ze er uit mocht rukken, hebben we al zoo vele en zoo lange dagen; en God kan het toch wel doen; en toch deed Hij het niet! Waarom, waarom? En dan worden we ongeduldig en boeten onze lijdzaamheid in en in onze drift slaan we onze arme hand nog eens zoo pijnlijk tegen dien vurigen netel van binnen.

Dat nu mag niet.

Dat is een strijden tegen de zonde uit het vleesch, waar God zijn zegen niet op geeft, en waar onze ziel niet wél bij kan varen.

Neen, ook hierin moet de balsem der lijdzaamheid gemengd, zal er een ontkomen aan de macht der zonde wezen. D. w. z. dat we ook daarin, dat de Heere, ons wederbarende, dien distel in den hof onzer ziele staan liet, zijn welbehagen en zijn ondoorgrondelijke wijsheid hebben te eerbiedigen, en nu voor ons zelf slechts hebben toe te zien, dat dit bestel Gods ons niet ongeduldig make, maar er toe brenge,

Sluiten