Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Om te beginnen wist mevrouw Boudewijns het daarheen te leiden dat de ontmoetingen der twee koerenden zooveel mogelijk bij haar aan huis plaats hadden: de fatale samenkomst, waar 't op uitliep, zou dan ook wel in dat veilige oord tot stand komen.

De zorgzame moeder zuchtte vaak in deze tijd: ze had 't wel anders willen hebben, ze had Dolfje zoo gaarne afgehouden van die allerintiemste omgang met de vrouw die zij hem slechts in 't huwelijk van ganscher harte gunde, 't Huwelijk was fatsoenlijk, veilig; daarbuiten loerden schande, ziekte en ongeluk. Maar, och, in vredesnaam, een jongmensch is een jongmensch, en 't is zoo moeilijk voor een moeder om al zijn gangen te bespieden, hem te beletten te nemen wat zoovelen — bijna allen — immers nemen! Neen, ze moest van de nood een deugd maken. Dolf was tot nu toe verschoond gebleven van alle lichtmisserij — o, dat wist ze zeker, in dat opzicht was hij „zoo onschuldig als een pasgeboren kind" — nu 't onvermijdelijke einde zou komen, wel, nu was deze minnarij toch nog de verkieslijkste. Mevrouw Boudewijns waakte immers ook over Dolfje's gezondheid, en dan was Paula.... nee, heel wat anders dan „zoo'n slechte meid". Foei, ze huiverde er van: je kon nooit weten, he? En dan toch ook: beter met zoo'n beschaafde, lieve dame dan met een dienstmeisje bij voorbeeld; immers ook voor de mogelijke gevolgen.

Sluiten