Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

oord der wanhoop hem al te benauwend tegengrijnsde en hem deed razen tegen haar, die hij als de eenige oorzaak van zijn ellende beschouwde. Verlangen en vrees absorbeerden hem meer en meer; want daarbuiten kende hij ten slotte alleen de eischen van zijn lichaam. Hij las niet meer, sprak alleen met de dokter en de verpleegster en dan steeds in uitbarstingen van ergernis; schuwde met sombere afkeer op zijn gelaat zijn mede-patienten, wanneer hij die 's morgens tegenkwam, op de „wandeling" in de open ruimte binnen het gesticht, welke voor lichaamsbeweging der verpleegden diende. Zijn waken en sl apen werden éen: de onrust van verlangen en vrees vervulde beide.

Zijn bestaan werd geheel dierlijk. Zelfs het verlangen naar zijn kind werd dat, want het verloor de wijding van 't vaderlijk beschermende. Hij zag thans in haar bescherming, als in zijn eenige toeverlaat, 't eenige menschelijk wezen, dat hem geen vrees of achterdocht inboezemde.

Het verschil met vroeger —- de dagen van zijn schijngeluk — was, dat hij vroeger een zinnelijk mensch was evenals thans, indien men ten minste zinnelijk wil noemen het zich geheel laten leiden door ongebreidelde neiging, maar toen had die zinnelijkheid niet dat dierlijke van thans: de zelfbevrediging die hij toen zocht was van een beter gehalte. Ze was

Sluiten