Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en stelde een onbeperkt vertrouwen in zijn rechtschapenheid en in zijn talenten, 't Gold hier een werk van hooge menschlievendheid, een daad van de edelste vriendschap. Nee, hij kon, hij mocht niet zwijgen. Aan niemand beter dan aan de vereerende leerling kon hij deze kiesche zaak toevertrouwen: hier was toewijding, geestdrift en talent noodig, en

op dat alles kon hij immers rekenen Hij moest

spreken.

De jonge rechtsgeleerde was zelf in gedachten verdiept, toen Van Thiemen na een oogenblik de stilte verbrak:

„Zomer, 't deed me bizonder veel genoegen je zooeven te ontmoeten. Je kwam als geroepen."

„Te veel eer, professor, 't Speet mij alleen dat ik zoo laat kwam, zoodat ik niet anders dan toeschouwer ben kunnen wezen. Ik had anders zoo graag een handje meegeholpen. U heeft zich kranig geweerd, hoor ik."

„Och, laten we daarover zwijgen. Je weet hoe

Professor Larsen en ik bevriend waren " Van

Thiemen weifelde even. „En ook daarom vind' ik

het zoo heerlijk dat ik jou getroffen heb "

„Mij, professor?" Er was een oprechte toon van bescheiden verwondering in Zomer's stem, en ook zijn open, trouw gelaat drukte dit uit.

„Ja kerel, ik heb je noodig. Ik zit voor een

Sluiten