Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

peinzende plooi van 't kersenroode mondje. Hier waren Zuid en Noord tegenover elkaar:'t Romaansche vrouwentype zag men in 't jonge meisje, de zes-endertigjarige stiefmoeder vertegenwoordigde een veel voorkomende schakeering van 't echt Saksische, dat men in Drente en Overijsel aantreft.

Paula's trekken waren in Didi onmiskenbaar, en toch was de indruk van Didi's verschijning zoo opvallend verschillend, afgezien nog van 't slankere dat de dochter van de moeder onderscheidde. Er was in 't jonge meisje een eigenaardige zachte weemoed bij al haar bedaarde, onverstoorbare goedgehumeurdheid, die oog en hart weldadig aandeed. Bij Paula boeide het schitterend levendige, vol afwisselende bekoring, bij haar kind het gelijkmatig lief-ernstige in spraak, gebaar en bewegingen. Paula's lach had iets bedwelmends, die van Didi iets droomerig vleiends — een wals van Strauss tegenover een van Chopin.

Didi had gezwegen, wachtende tot haar stiefmoeder spreken zou. Ze aarzelde, omdat wat ze te zeggen had haar zoo moeilijk viel om uit te drukken.

„Nu, die belofte?" begon eindelijk de oudere. Ze lachte en haar lach was steeds een genot om te zien en te hooren. Haar anders eenigszins stroef gezichtje kreeg dan opeens een uitdrukking van hartveroverende vriendelijkheid.

Sluiten