Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een-stoel te wasschen, smakelijk ploeterend met 'r gladde roode armen in 't warme zeepsop, en een eindje daarvandaan deed erg dronken en wezenloos in-de-lorumgeweest, een scheef staande locomobiel, bruin van roest, pal tegen het trottoir opgelaveerd, en omringd door een troep van dringend en gapend en starend nieuwsgierige kinderen, stom van verbazing over die groote rare machine in hun nooit door iets bijzonders verontruste straatje.

De portier met de gegalonneerde pet op zijn gemoedelijken witten kop van zich nooit haastenden plichtmatigen gepensionneerde, leunde tegen den deurpost en rookte zijn gouwenaer, symbool van zijn nimmer verstoorde kalmte, pand van de zich zelf gedane belofte dat hij nu wel de wacht zou houden voor den toegang tot het tooneel met zijn wonderen, maar dat de wonderste wonderen zijn dommelige pensioensstemming nooit zouden verstoren.

Ik liet het visite-kaartje zien.

Hij bracht het langzaam naar zijn oogen, spelde het, en zijn antwoord in een rookwolk hullend, zei hij woordje voor woordje:

«Daareven was ie nog hier, maar hij is weer weggegaan; hij zal wel ergens in de buurt zijn, voor 't leggen van de stoompijpen.«

»Wa's dat voor 'n rare kerremis?«—vroeg een van de tooneelknechts in een witte behangerskiel, over Kees z'n schouder naar de locomobiel kijkende.

Sluiten