Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

oude boersche koetsiers die, in extase over zooveel vreemdelingen, van hun bok klauteren om de menschen naar binnen te duwen. Met ons tienen drongen we in zoo'n donker laag bakje voor acht; de anderen gingen maar loopen, hoefden pas op te komen in de tweede acte. En daar bolderden we voort met geweldig portiertjes-gerammel over de keien die maar niet gelijk gesleten komen, door een straat ohne Ende: grauwig bruine huizen almaar naast elkander, lage huizen met groote ramen als verwonderd opengesperde oogen, vensters met horretjes, met ondergordijntjes, hooge glimmend groene deuren in 't midden, met breede stoepen er voor, door hekjes of dikke paaltjes afgesloten. En in die schemerige, leegwijde straat om de drie minuten een lantaarn, pal voor een dwarsstraatje telkens, zijn lange schaduw er midden door; en ook daar van die platte, grauwbruine huizen, zonder eenig sprekend kleurtje, pikant uitbouwseltje, huizen met onbeweeglijk strak-deftige gezichten, in de doodstille straat, zonder een glimlach elkaar maar aanstarend...

En er liep géén mensch, geen hond, geen kip. Brutaal hard ratelde er 't omnibusje; alleen 't windgegier was er in stijl...

Na tien minuten waren we voor 't logement, een hooge, vierkante, lichtgrijze gevel, allemaal bleeke vitrages voor de vensters. Een wijde gang met blauwe steenen bevloerd, schemerige verlichting van twee bibberende gasvlammen. En op een tree van de trap

6

Sluiten