Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bent,« zei ze, dof sprekend, en even wachtend na elk woord. «Moeder had zoo veel met u op.«

Ze huilde, en veegde d'r tranen langs d'r stijf gekroesde ponnie, telkens daar nog even tegen aan drukkend, om 't glad te houden. De andere zuster stelde voor: >me nicht Wierinks, me nicht Stoeters.« Hij boog; toen stonden de nichten op, om 'm de hand te komen geven, zeggend, met gemaakte begrafenisstemmen: »Dag meneer, zeer vereerd.«

De dochters vertelden, elkaar aanvullend, hoe de laatste dagen waren geweest; hoe ze gestorven was. »Ja,« zei de lange met 'n zucht, »moe's oogen willen maar niet dicht, dat vinden we zoo akelig. We zijn zoo bang dat ze schijndood is.«

Plotseling kwam er een zware mannestem uit een hoek van 't vertrek: «Malligheid, dat was met mijn vrouw, je moeders zuster, net zoo; 't zit in de familie.«

In dien hoek onderscheidde hij nu vaag 'n oud klein mannetje, met lange witte haren en 'n lange baard, z'n knieën tegen elkaar gedrukt, daarop z'n magere handen.

»Da's oome« — zei de korte — »oome's vrouw is voor drie weken geleden óók heengegaan.»

»Oome komt nou hier om ons wat te helpen,« — vulde de lange aan — »u begrijpt, wij dames hebben zoo geen verstand van al die bemoeiingen, als je 'n dooje hebt — en oome weet dat nou zoo goed natuurlijk.«

»Toch kazjeweel,« zei toen op eens een van de nichten op opgewekten toon — »dat twee zulke oudjes

Sluiten