Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eindelijk, daar schokte plotseling 't rijtuig en 't paardengetrappel stil voor z'n deur. Meteen ging ie 'r heen; de meid hoefde 'm niet te zien zoo in't zwart met n hoogen hoed op; de buren moesten geen tijd hebben om voor 't raam te komen.

Hij stapte in, stelde zich voor aan de beide heeren, die er al in zaten, en gaf ze meteen een hand. Ze stelden zich niet voor terug, bleven staren tegen de gordijntjes die voor de raampjes waren dichtgelaten en ze zwegen, even als hij in afwachting van hoe de toon moest zijn.

Een jongmensch zat naast 'm, een tenger ventje, met 'n bleek gezicht, dat in lachen scheen te willen uitbarsten, lijkachtig bleek en mager onder dien erg hoogen, zwarten hoed en boven dat kleine witte dasje.

F-n tegenover hem lag lui over de bank een bejaard heer, welbehaaglijk leunend z'n zwaar lichaam in den hoek. Wonderlijk kleintjes deed zijn hoed op dat bolle, ronde gezicht, waaraan 'n dikke ronde baard iets burgerlijk zelfvoldaans gaf. Hij wilde zich blijkbaar de allures geven van aan rijden of begraven gewoon te zijn, verborg zijn verlegenheid over dien nieuwen derden heer door 'm telkens even onverschillig aan te zien, alsof hij bezig gehouden werd door gewichtige gedachten, die voor hem spreken overbodig maakten...

Na een poos zei plotseling 't jonge mensch, terwijl 'ie z'n lach een eindje vierde:

»Dat zit u met dien hoed ook niet erg glad meneer, 'k zou 'm maar afzetten...«

Sluiten