Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

t Kind bloosde, trok 'r been terug, zoodat 't heele blad met kopjes dreigde te vallen, 't Gezelschap lachte uitbundig. »Zoo'n oolijkert, die neef Dries. <

»Apropos,« vroeg hard 't dansmeestertje: »toen we terugkwamen zag ik uit de koes een handkar met een heele lange visch er op, dood zie je, met de kop en de staart 'r overheen; hebbe jullie die óók gezien? — wat zou dat voor 'n een dier geweest zijn?«

De vraag gaf aanleiding tot veel dispuut.

Daarvan maakte de vroegere huisgenoot van moeder Grijs gebruik om op te staan. Allen zwegen, zetten weer eventjes sombere gezichten.

>Gaat u al weg?« vroeg de lange, »eet u niet nog n broodje, en drinkt u niet zoo een glaasje wijn mee ?«

»Nee dank ul«

Hij nam afscheid. De korte en de lange dankten voor de eer.

'Toe, komt u nog eens an?« vroeg stilletjes voor de anderen, de korte, »'t zal zoo akelig leeg zijn...«

En vlug liep ze naar de kast om daar, quasi zoekend, 'r huilen te verbergen.

En hij had meelij met dat eenvoudige schepseltje, dat met 'r reine droefheid over den dood van haar moeder, moest zitten in den kring van die fuivende begrafenisklanten.

Sluiten