Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maken. Joop zou vóóruit beloven moeten, dat ze altijd alles doen mocht, waar ze lust in had.

Ze deed 'r wit mousselinen zomerjurk aan, en toen ze op weg naar Academie langs een tuinmuur kwam, trok ze 'n malsche klimoprank, en slingerde 'm om 'r strooien hoed. Dat zou 'ie leuk vinden... Joop kwam 'r te gemoet, en vroeg: »Wacht je op me, vanmiddag?*

Heel ver waren ze 's middags samen buiten gaan loopen, den Amstel langs... en op eenmaal had ie één arm om 'r hals geslagen, 'r knellend sterk naar zich toegetrokken en een zoen gegeven.

«Waarom doe je dat?« — vroeg ze een beetje teleurgesteld verbaasd.

»Omdat ik er ineens zoo'n zin in had ...«

«Jongens willen altijd zoenen; — wat hebben jullie daar toch aan? 'k Dacht dat jij zoo kinderachtig niet zou wezen. Ik kèn niet zoenen. Alleen wanneer 'k vreeselijk veel van iemand houd, maar dan kan ik 't ook niet laten. Vader geef ik zelfs nooit een kus, en dat is de liefste man ... Verleden had 'ie erg verdriet, en 'k had zielsmeelij met 'm... 'k wou zoo graag nog wat inniger met 'm zijn dan anders, maar 'n zoen ... dat durfde ik niet... 't Was zóó ellendig, 'k heb er in me bed om liggen huilen ... Waarom grinnik je ineens?*

»Omdat 'k je zoo'n malle vind!»

Zoo bleven ze met elkaar loopen, den zomer uit en

Sluiten