Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

o Vorsten! wilt der wijsheid wetten hooren Voor gij uw God en zijn' Gezalfde hoont: En Richters, tot de plaats der eer gekoren, Aanvaardt zijn tucht, die u zijn liefde toont.

6. Dient uwen Heer met ongeveinsde deugd,

En in zijn vrees ootmoedig wilt gaan leven, Juicht tot hem met oprechte hemelvreugd,

Doch voor zijn macht en majesteit wilt beven. Koomt, kust den zoon, dien hij u heeft gegeven, Dat hij zich niet vergramm' over uw daad, Zoodat gij niet ten gronde wordt gedreven, Terwijl gij nog op uwen wege gaat.

7. Want lichtelijk zijn felle woed' ontbrandt,

Gelijk een vuur, dat men niet wilde achten; Diegeen slechts leeft in den gewenschten stand, Die hem betrouwt en zijn gena wil wachten.

PSALM 3.

1. Hoe groeit het leger, dat me plaagt! 't Weerspannig leger, dat me daagt

In 't oorlogsperk

Wordt vreeslijk sterk; Het krielt en krijt vast, rot bij rot: „Hij vindt geen heul aan zijnen God."

2. Maar gij beschut me, o Heer! en stuit Die hoop, en voert den oorlog uit,

Als gij belooft,

En heft mijn hoofd,

Ten trots van 't muitende gerucht, Met vollen zegen in de lucht.

3. Ik riep, door nood geperst, tot Hem, Die van den Godsberg mijne stem

Verhoorde in last.

Ik sliep te vast,

En lag ter dood toe uitgestrekt,

Maar zijne hand heeft mij gewekt.

Sluiten