Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

19. Sta op, o Heer! en laat den mensch Zich niet versterken naar zijn' wensch;

Maar oordeel Gij in 't wraakgerichte De heidnen voor uw aangezichte.

20. o Heer! jaag hun vervaardheid aan En doe de heidenen verstaan

Dat zij, die Zions rampen wenschen,

Geen goden zijn maar broze menschen.

PSALM 10.

1. Waarom, o Heer! blijft Gij van verre staan? Waarom verbergt Gij U; daar wij gehaat,

Beangst, verschrikt, schier door den druk vergaan? De trotschaard, die godloos de deugd versmaadt, Vervolgt uw volk in zijnen jammerstaat.

Dat hen 't besluit, tot ons verderf genomen, In 't warnet breng', en schielijk om doe komen!

2. Want op zijn wensch beroemt zich 't godloos rot; Het zegent vast den gierigaard, en spreekt

Tot laster van den allerhoogsten God:

Terwijl 't verwaand den neus omhooge steekt, En in zijn hart geen onderzoeking kweekt;

Maar koestert deez' onzinnige gedachten:

„Daar is geen God: geen loon noch straf te wachten."

3. Zijn handelwijs baart altijd smart op smart,

Terwijl zijn oog naar straf noch oordeel ziet: En, daar hij stout uw hoog gerichte tart,

Blaast hij met smaad op al wie weerstand biedt, En zegt in zijn gemoed: „ik wankel niet,

Terwijl ik van geslachte tot geslachte,

Op mijnen weg, geen tegenspoeden wachte."

4. Zijn mond is vol van vloek, bedrog en list;

Zijn tong bedekt de moeit' en 't zielverdriet;

Zijn boosheid is met valschen schijn vernist; In hinderlaag, daar niemands oog hem ziet, Verbergt hij zich, valt ijlings uit, vergiet

Sluiten