Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij met zijn helder licht Verklaart het zwak gezicht Van onze duistre oogen.

5. Des Heeren vrees is rein; Zij opent een fontein

Van heil, dat nooit vergaat, Zijn dierbre leer verspreidt Een straal van billijkheid,

Daar z'al onwaarheid haat. Zij is als edel goud,

Ja beter duizendvoud,

Dan fijn goud uitgelezen,

Geen honing ook zoo goed, Geen honing-zeem zoo zoet Als Godes woord wil wezen.

6. Dus krijg ik van mijn plicht, o God! een juist bericht. Wat is 't vooruitzicht schoon! Hij, die op U vertrouwt,

Uw wetten onderhoudt,

Vindt daarin grooten loon. Maar wie kan recht verstaan, Wie grondelijk verslaan Zijn feilen en gebreken?

Heer, reinig Gij mij toch Van zonden, die mij nog In 't hart verborgen steken.

7. Weerhoud, o Heer, uw knecht, Dat hij zijn hart niet hecht' Aan dwaze hoovaardij! Heerscht die in mij niet meer, Dan leef ik tot uw eer,

Van groote zonden vrij.

Laat U mijn tong en mond, En 's harten diepsten grond Toch welbehaaglijk wezen;

o Heer, die mij verblijdt,

Mijn rots en losser zijt! Dan heb ik niets te vreezen.

Sluiten