Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

12. Och! zijt mijn noodhulp, en verlaat Mij niet in nood,

Van uwen toeverlaat ontbloot.

Versma mij niet, in dezen staat Van leed en last.

Sta vast, sta vast,

O God! ik ben, nu dus gering,

Verlaten, als een vondeling,

Van mijnen vader en mijn moeder: Gij naamt mij op, als Voogd en Hoeder.

13. Nu schrijf me toch een regel voor, Een wisse wet,

Waarnaar ik 's levens wandel zet,

En voer mij op het rechte spoor, Om 's vijands wil,

Die loos en stil Mij zocht te leiden van mijn wacht. Och! voer me niet in 's haters macht, Wiens valsche tuigen mij belagen,

Die in het liegen schept behagen.

14. Ik hoop, in Gods onsterflijkheid,

Deze erfenis,

Die zijn geslacht beschoren is, T'aanschouwen, schoon het lange beidt. Verwacht hem dan,

Gelijk een man,

En houd u moedig, in uw smart, Uit een getroost en rustig hart, Aan God, met alle Godgetrouwen,

Als aan den pijler, daar ze op bouwen.

PSALM 28.

o Heer, omhoog in top gezeten ! Ik roepe, en heb mij heesch gekreten Met droevig kermen en gesteen; En zwijgt Ge nog op mijn gebeen?

Sluiten