Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

18. En opdat u, o maagd, geen teederlijk verlangen

Naar die u naast bestaan, het hart ooit mocht bevangen, Zult g'in hun plaats welhaast zien wassen uw geslacht, 't Welk gans de Aarde rond zal vinden in zijn macht.

19. Hierbij nog zal uw lof niet ongeweten blijven:

Mijn tonge met haar taal, mijn veder met zijn schrijven, Zal u, van eeuw tot eeuw, door ieders mond doen gaan, In aller volkren hart uw heugenis doen staan.

PSALM 46.

1. Qod is een toevlucht voor de zijnen,

Hun sterkt', als zij door droefheid kwijnen; Zij worden steeds zijn hulp gewaar In zielsbenauwdheid en gevaar;

Dies zal geen vrees ons doen bezwijken, Schoon d'aard' uit hare plaats mocht wijken; Schoon 't hoogst gebergt' uit zijne steê Verzet wierd in het hart der zee.

2. Laat vrij het schuimend zeenat bruisen, D'ontroerde waatren hevig ruischen ;

De golven mogen door hun woên, Het berggevaarte daavren doen :

De stad, het heiligdom, de woning Van God, den allerhoogsten Koning,

Wordt in haar muren, t'allen tijd',

Door beekjes der rivier verblijd.

3. Geen onheil zal de stad verstoren,

Daar God zijn woning heeft verkoren;

God zal haar redden uit den nood,

Bij 't dagen van het morgenrood.

Men zag de heid'nen kwaad beramen; De Koninkrijken spanden samen;

Maar God verhief zijn stem, en d'aard' Versmolt, voor 's Hoogsten toorn vervaard.

PAUZE.

Sluiten