Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PSALM 58.

1. Indien men vraagt, wat God gelast,

Gods recht u leert;

Zoo vel, o mensch! gelijk het past,

Een oordeel, dat geen licht ontbeert, Dat billijk is, rechtvaardig,

In elk deel prijzenswaardig.

2. Doch in uw harte legt ge alleen

Op boosheid aan,

En loutere ongerechtigheên,

Die met uw oordeel niet bestaan, U uit uw mond verdoemen.

Hier helpt u geen verbloemen.

3. Uw handen (midlerwijl gij leeft

Een korten tijd Op d'aarde, die een gruwel heeft

Van zooveel moorden, twist en strijd) Zijn afgericht op vechten En moedwil aan te rechten.

4. De mensch, van 's moeders lichaam af,

Vervreemdt van God,

Die hem de wet der rede gaf.

Hij dwaalt verblind van 't hoog gebod, Braakt lastering en logen,

Schoon 't licht hem schijnt in d'oogen.

5. Zijn dolle moedwil slacht de slang,

En 't loos serpent,

Dat d'ooren voor den tooverzang

En toon te stoppen is gewend,

En met geene opene ooren 's Bezweerders rijm wil hooren.

6. Het monster acht geen toovenaar,

Die zich verstaat Op guichelkunst en loos gebaar;

Lijkwel verwerpt, en vlucht en haat Het menschdom vroeg de rede,

En tucht en gouden zede.

8

Sluiten