Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

9. Ik had schier ook alzoo gezeid, en hun, uit onverstand,

Maar ik verbeet mijzelf, en dacht: [geslacht, ')

Het is niet alles goed, dat goed, niet alles kwaad, dat kwaad Naar 't oordeel dat de wereld strijkt. (gelijkt,

Waar 't anders: Al Gods heilig volk, van welker lijden dat Het waar Gods volk dan niet geweest. [men leest,

10. Ik maakte mijn gedachten moê, en had zoo gaarn den grond

En 't recht verstand hiervan gehad: [gevat,

Maar al vergeefs: 't Was mij te zwaar, en schampte op mijne Totdat ik mij tot God begaf, [zinnen af,

En intrad tot zijn heiligdom, daar uit zijn Woord mij wierd Hoe wonder het met hen verkeert. [geleerd,

2. PAUZE.

11. Daar zag ik, Heer, hoe Gij ze stort; hoe los en onvast dat

En plotseling te gronde gaan. [ze staan,

Hoe gaan zij toch zoo haast te niet! het hart is hun doorvlijmd Zij einden in een oogenblik. [met schrik

Hun wezen is gelijk een droom, die in den slaap wat wonders Maar bij 't ontwaken ras verdwijnt. [schijnt,

12. Wat groot geleek, is niet met al; wat eerst gevreesd werd,

En wat men prees, daarna veracht. [wordt belacht; Eilaas! hoe wee is mij in 't hart, dat ik voor U, Gij wijze God!

Mij heb gedragen als een zot;

En 't domme vee bijna gelijk, heb van der dingen eind en Geoordeeld met den dwazen hoop; [loop

13. En met mijn al te klein verstand (niet ziend op 't geen dat

Ben in uw oordeel ingetreên. [was, maar scheen)

Nochtans, hoewel ik tegen U met mijn gedachten heb gefaald,

Ben ik van U nooit afgedwaald.

Ik hang aan U, hoe dat het gaat, ik klem mij altijd vast aan Want Gij houdt U altijd aan mij. [Dij.

14. Gij zijt mij altijd bij met raad, Gij zijt mij altijd bij met

Daar ik tot eer door word gebracht. [kracht,

Wanneer ik U maar hebben mag, zoo is mij al de rest

En pas 'k op hemel noch op aard. [onwaard;

Of 't lichaam al uitteren mocht, of 't hart zijn kracht al heel En boven 't hoofd de dood al hing: [ontging,

J) Geleken.

Sluiten