Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3. De schrik des nachts doet u niet vliên,

Waarvoor de boozen beven;

Geen pijlen hoeft gij 's daags t'ontzien

Die hevig om u zweven;

De pest, met welk een snellen spoed

Zij moog' in 't duister waren,

Noch 't streng verderf, dat 's middags woedt, Zal uwe ziel vervaren.

4- Gij zult, aan d'een' en d'andre hand,

Tienduizenden zien vallen:

Terwijl gij, in gerusten stand,

Bewaakt blijft boven allen.

Het dreigend leed vliegt u voorbij ;

Alleenlijk zien uw' oogen,

Hoe schrikklijk 't loon der boozen zij, Die d'Almacht niet verhoogen.

PAUZE.

5. Ik steun op God, mijn' Toeverlaat!

Dies heb ik niets te vreezen.

Wie God vertrouwt, dien deert geen kwaad;

Uw tent zal veilig wezen;

Hij zal zijn Engelen gebiên

Dat z'u op weg bevrijden:

Gij zult hen, in gevaren, zien Voor uw behoud'nis strijden.

6- Zij zullen u, Gods gunstgenoot,

Naar 's Hoogsten welbehagen,

Opdat gij aan geen steen u stoot,

Op hunne handen dragen.

Gij zult op jonge leeuwen treên,

Op giftig' adders stappen,

En, door gevaar noch vrees bestreen, Den leeuw en draak vertrappen.

7. Dewijl zijn ziel Mij teêr bemint

(Dus laat God zelf zich hooren)

Heb ik aan hem ook, welgezind,

Een heilrijk lot beschoren;

Sluiten