Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

't Volk, in later eeuw geboren, Zal zijn macht en goedheid hooren; Zich in zijnen roem verblijden, Hem zijn lofgezangen wijden.

11. 't Zal met blij gejuich Hem loven, Die, uit zijn paleis van boven,

Isrels leed en ongeval Eens in gunst beschouwen zal, En gevangnen in hun zuchten Hooren, als zij tot Hem vluchten; Om hen uit de wreede kaken Van den dood eens los te maken.

12. Dus zij 's Heeren naam geprezen, En in Zion eer bewezen;

Dus hoor' elk de vreugdestem In het blij Jeruzalem;

Als de volken saam vergaren,

Zich met 'sHeeren erfvolk paren; Als de koningen zich buigen,

En Hem hun ontzag betuigen.

3. PAUZE.

13. Ach! de Heer heeft mij doen bukken, Voor 't gewicht der ongelukken;

Ja, mijn levenstijd verkort,

Mij met rampen overstort.

'k Riep: o God, mijn welbehagen! Spaar m'in 't midden van mijn dagen Gij, door eeuw noch tijd te krenken, Kunt mij hulp en uitkomst schenken.

14. 't Aardrijk en de hemelbogen Zijn gewrocht door uw vermogen;

Allen zijn z', in hun verband, 't Kunststuk van uw wijze hand. Doch, hoe duurzaam zij ook schijnen, Eens zal al hun glans verdwijnen; Maar, schoon 't alles om zal keeren, Gij blijft staand', o Heer der heeren!

Sluiten