Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vergaten al zijn gunstbewijzen;

Zij morden aan de roode zee,

In plaats van 'sHeeren gunst te prijzen; Dies dreigde hen een zwaarder wee.

b. Doch om zijns naams wil, om zijn macht

Te toonen aan dit dwaas geslacht,

Schold hij de zee, dat z'uit moest drogen.

Hij deed hen langs haar gronden gaan, En toonde aan 'svijands heir 't vermogen, Dat hun in nood had bijgestaan.

7. De waatren keerden in hun kolk;

Daar paard en ruiter, vorst en volk,

Tot één toe, in den vloed versmoorden.

Toen had gansch Isrel juichensstof;

Toen, toen geloofden z'aan Gods woorden; Toen zong al 't volk des Hoogsten lof.

2. PAUZE.

8. Maar zij vergaten 's Heeren werk; Zij stelden hunnen God een perk,

Zij wilden niet in Hem berusten;

Maar durfden, in de wildernis,

Zijn macht beproeven door hun lusten, En 't hunkren naar Egypte's disch.

9. Toen heeft Hij hen met vleesch gevoed; Maar zond hun ziel bij d'overvloed,

Een magerheid, die z'uit deed teren.

Zij dorsten Mozes 't hoog bewind, En Aron 't priesterambt des Heeren Benijden, door hun waan verblind.

10. Maar 't aardrijk opende zijn mond,

Waarmee 't Abirams volk verslond En Dathans snoode vloekverwanten;

Een vuurgloed stak de tenten aan Van 't godloos rot, aan alle kanten,

En deed het door de vlam vergaan.

Sluiten