Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mij ook genadig zeegnen,

Uw naam ten prijs; want Gij genadig zijt,

En minzaam in 't bejeegnen.

Verlos mij; want ik ben gans arm en bloot.

Mijn hart, in 't lijf bezweken,

Vergaat, gelijk een schim, in mijnen nood,

Van hulp en troost versteken.

Ik ben, gelijk een sprinkhaan, op het veld

Verstooten, en mijn beenen Bezwijken; al mijn vleesch door 't vasten smelt;

Mijn merreg is verdwenen.

Ik sta, gelijk een schouwspel, elk ten toon.

Zij schudden, daar ze gapen,

Hun hoofd voor mij. Och, Vader! dek uw zoon

Met uw gena, zijn wapen;

Dan zullen zij bekennen, dat uw hand

Den droeve dus verdadigt.

Zij zullen mij vervloeken in dien stand,

Als Gij mij begenadigt.

Wie mij bevecht, zal eindelijk vergaan.

Uw dienaar zich verblijden.

Wie mij beticht, zal eindlijk schaamrood staan,

Beschaamd aan alle zijden.

Dat zij hun schaamte, als met een dubbel kleed,

Dan pogen te bedekken.

Ik zal Gods lof trompetten wijd en breed,

Met galm de scharen wekken;

Want God hield stand aan des verdrukten zij,

Kwam hem met kracht beschutten Voor 's haters vloek en blinde razernij,

En den verzwakte stutten.

PSALM 110.

1. De Heer sprak tegen mijnen Heer; Nu zet U aan ons rechter zij En hooge hand, in top van eer, Op uwen erftroon, totdat Wij Uw vijand treden op den nek, En hij u tot een voetbank strekk'.

Sluiten