Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4. Ze hebben wel een mond, doch die niet spreekt; Wel oogen, doch waaraan 't gezicht ontbreekt,

't Licht kan hun niets ontdekken;

Geen klank, hoe schel, dringt immer hun in 't oor Men zett' hun vrij den besten wierook vóór,

't Kan hun geen reuk verwekken.

5. Hun hand, hoe fraai bewerkt, tast nooit iets aan; Hun voet, hoe wèl gevormd, kan nimmer gaan;

Hun keel geen klanken geven.

Hun maker deel' in hun veracht'lijk lot!

Die op hen steunt, miss' nevens hen 't genot Van 't duurgeschatte leven!

PAUZE.

6. Maar, Israël! vertrouw gij op den Heer!

Hij is uw hulp, uw sterkt' en al uw eer,

Uw schild, dat nooit zal wijken.

Vertrouw op God, gij, Arons nageslacht!

Hij is uw schild, uw hulp, die u zijn macht Zoo menigwerf deed blijken.

7. Vertrouwt op God, gij allen, die Hem vreest! Hij is altoos uw schild, uw hulp geweest;

De Heer was ons gedachtig.

Zijn zegen blijft op Israël verspreid;

Aarons huis is die ook toebereid,

God is getrouw en machtig!

8. Elk, die Hem vreest, hoe klein hij zij of groot, Wordt van dat heil, die weldaan, deelgenoot:

Hij zal ze grooter maken,

En z'u, zoowel als 't kroost, dat gij bemint, Dat, nevens u, zich aan Gods wet verbindt, In dubble maat doen smaken.

Sluiten