Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

5. Gij hebt, o Heer! in 't doodlijkst tijdsgewricht,

Mijn ziel gered, mijn tranen willen drogen.

Mijn voet geschraagd: dies zal ik, voor Gods oogen,

Steeds vroolijk wandlen in het levenslicht.

PAUZE.

6. Ik heb geloofd, dies sprak ik tot Gods eer.

'k Was zeer bedrukt; ik liet, in haast, mijn lippen,

Door drift vervoerd, dit harde woord ontglippen:

„Bij menschen woont noch trouw noch waarheid meer.

7 Hoe zal ik, met Gods gunsten overlaan,

Dien trouwen Heer voor zijn gena vergelden?

'k Zal, bij den kelk des heils, zijn naam vermelden, En roepen Hem met blijde erkentenis aan.

8. Nu zal ik voor de weldaan, die 'k genoot,

Aan Hem, naar mijn geloften, eer bewijzen;

Hem onder al zijn gunstgenooten prijzen.

Hoe kostelijk is God der heilgen dood!

9. o Heer! 'k gehoorzaam U, ik ben uw laiecht, Uw dienstmaagds zoon; Gij slaaktet al mijn banden.

Dies doe ik U gewillig' offeranden

Van lof en dank, U plechtig toegezegd.

10. Ik zal uw naam met dankerkentenis Schalmeien, U al mijn geloften brengen;

'k Zal liefd' en lof voor U ten offer mengen, In 't heiligdom, daar 't volk vergaderd is.

Jl. Voor in de vloer van 's Heeren tempel rein,

En in de stad Jeruzalem geprezen,

Daar zal uw naam zeer hoog verheven wezen.

Looft God den Heer! gij allen groot en klein!

Sluiten