Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PSALM 124.

1. Waar God ons niet omtrent geweest, Zoo zegg' Israël minst en meest,

Waar God ons niet geweest omtrent, Ons leven waar al lang ten end:

Als zij, die naar ons leven staan, Met gramschap zwanger kwamen aan, Zij hadden ons gescheurd, geplokt En levend bijna ingeslokt.

2. Bloeddorstig hadden z'ons vermoord; In onheil waren wij versmoord,

Gelijk wanneer het water koomt

En boven 't hoofd hoog henen stroomt, De mensch alsdan wanhopig bang Zijn ziele loost met zwaar geprang.

3. 't Is recht, dat elk den Heere loof, Die ons niet laat tot eenen roof

Van 't volk, dat gaarn ons had verdrukt, Maar uit zijn kaak ons heeft gerukt.

Dies zijn wij blij in ons gemoed Gelijk een wilde vogel doet,

Die door den strik bedrogen is En weer den strik ontvlogen is. 't Bedrieglijk net voor ons gespreid, De looze strik voor ons bereid,

Die zijn nu saam in twee, en wij Gelijk te voren leven vrij.

4. Geen mensch verwonder zeer hiervan: De Heer, die alles, alles kan,

Die 's werelds rond geschapen heeft, Aard, zee en hemel, al wat leeft,

Doet ons zijn hulp in nood en dood Door zijner hand vermogens groot.

Sluiten