Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

25. Looft Hem, looft Hem, al wat leeft! Die u spijs en laafnis geeft;

Omdat Hij goed is boven al En eeuwig alzoo blijven zal.

26. Looft Qod, die in zijn gewoud Den bestarnden hemel houdt;

Omdat Hij goed is boven al En eeuwig alzoo blijven zal.

PSALM 137.

1. Wij zaten bij d'Eufraat en wachtten

En schreiden eenen watervliet Te Babiion, uit groot verdriet, Zoo dikwijls wij aan Zion dachten. Wij hingen harp en fluit en snaar Aan wilgeboomen hier en daar.

2. Want die de stammen derwaarts dreven,

In slavernije en slaatschen dwang, Begeerden onzen blijden zang;

Die ons verdreven, daar wij 't leven Versleten onder 't uitheemsch juk, Beschimpten dus ons ongeluk:

3. „Nu zingt eens op Hebreeuwsche wijze,

Een lied en lofzang op dien toon,

Als ge te Zion zijt gewoon."

Wij spraken: „Wie kan, Qod ten prijze, Een lofzang zingen bij Chaldeên,

Zoo ver van huis, in vreemde steên?"

4. Jeruzalem! kan ik mijn leven

U hier vergeten? Dat mijn hand Veeleer verdorre in 's vijands land!

Mijn tong moet aan 't gehemelt kleven, Eer ik, o voêster van ons wet!

U reukloos uit mijn zinnen zett';

19

Sluiten