Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wentink.

Zoo, zoo, komt dat heerschap hier? Het zou mij niets verwonderen, dat hij wat kwam afluisteren.

Maartens.

Zooveel is zeker, dat we niet meer vrij kunnen praten. Zouden we mogelijk niet goed doen met ergens anders te gaan zitten, om te overleggen wat we verder zullen doen ? (Tot Grietje), Is de achterkamer vrij?

Grietje.

Ja wel, mijnheer.

Valk.

We dienen in allen gevalle Swaan af te wachten.

Wentink.

Dat is zoo. Maar ik zou toch wel hier in de kamer willen blijven, tot die knecht met het kistje komt. Mogelijk kunnen we nog wel het een of ander opmerken. Je kunt niet weten, — soms verraden zulke lui zich zelf. We moeten doen of we van niets afweten en rustig onze jaspartij weer opnemen.

Valk.

Geloof me, Wentink, ik heb er niets niemendal geen hoofd naar; — nu nog minder dan straks.

Wentink.

Dat komt er niet op aan. (Tot Maartens). Onze vriend Valk is van avond wat statistiekerig melancholiek, mijn heer Maartens (al pratende maakt hij het speeltafeltje weer in orde), 'i Is verkeerd, je moet altijd je rustige rust bewaren. Nou, ziedaar, omdat je melancholiek bent geef ik er je 150 voor (zij gaan zitten). Jast 11 ook, mijnheer Maartens?

Maartens.

Ja wel.

Wentink.

Dan konden we met zijn drieën spelen — een klaverjasje.

Maartens.

Neen, ik ga er liever achter zitten. Dan kan ik beter ongemerkt mijn observaties maken.

Wentink.

Ook goed (hij en Valk nemen kaarten af). Ik heb de gift. (Maartens gaat er achter zitten; Wentink geeft). Klaveren troef.

Sluiten