Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De heer Walden zal toch geen dwang wens chen uit te oefenen wat mijne eigen zaken betreft.

Rantner. Heb ik je dan nog niet kunnen overtuigen, dom gansje, van het in alle opzichten goede en aanbevelenswaardige van je huwelijk met den jongen, veel belovenden, energieken koopmanszoon. Jij hebt geld, hij heeft 'n mooie zaak, jouw geld wil en kan ik nergens anders dienstbaar voor maken dan om 't vruchtbaar te besteden in een solide zaak. Hij is jong, knap, gezien; honderden meisjes zouden het een voorrecht achten met hem te trouwen, en jij blijft zoo koel als was hij een je volmaakt onverschillige pretendent,

Anna (wrevelig). Dat is hij me ook, ik ken hem nauwelijks.

Rantner. Och, kom. Hoe kan je zoo dom zijn. Je bent wel nog jong, Anna, eerst 22 jaar, maar toch dacht ik, dat je op algemeen levensgebied wat meer doorzicht zou bezitten om in te zien, welk een schitterende partij ons hier geboden wordt; welk een prachtige kans om, door de vereenigde krachten van wat jullie beiden meebrengt, tot hoog aanzien te geraken.

Anna. Ik geloof juist, Papa, dat ik te veel ontwikkeld er voor ben, om niet in te zien, dat al die maatschappelijke voordeelen niet opwegen tegen het ontbreken van genoegzame sympathie van één van beide kanten, zonder welke een verbintenis als Jt huwelijk in mijne oogen nooit gelukkig zijn kan.

Rantner. Och! wat! Dat komt allemaal van zelf! Ik zie volstrekt niet in, waarom jij voor 'n man, die jong, knap, in aanzien is, en die je al de weelde en comfort verschaft, waaraan je van je geboorte af gewend bent, niet genoeg sympathie zou kunnen koesteren.

Anna. Dat behoeft u ook niet te begrijpen, als ik het maar begrijp.

Rantner. Nu ja, goed. Die discussie leidt tot niets! Ik laat

Sluiten