Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(Hugo heeft v. d. Horst meegetroond, terwijl weer een ander zijne plaats aan de piano heeft ingenomen en er op lostrommelt en zingt. Hugo, door drank opgewonden, druk gesticuleerend tot v. d. Horst, die kalm blijft en belangstelling veinst).

Hugo. Kerel, gisterenavond, nadat we van de „Carmen"

kwamen naar „Royal". Eenige boel daar. Stel je voor

(zijn spreken gaat in fluisteren over; hij gesticuleert druk met de handen ; slaat v. d. Horst op de knieën; deze antwoordt „ja, ja houdt 't oog op Walden gevestigd, die zich bedrinkt en zenuwachtig in een roes met de beide armen op tafel blijft zitten).

TWEEDE TOONEEL.

De vorigen, de kamenier.

(Een luid kloppen op de deur wordt gehoord; de knecht opent. De kamenier van mevrouw Walden, de blijken dragend zich in der haast eenige kleedingstukken om 't lijf te hébben geworpen, staat — ontzet, met angstige oogen — in de deuropening; zij kan niet spreken; wijst op Walden als wil zij hem iets zeggen. Hugo en anderen van 't gezelschap, opspringend, trachten triviaal met haar te schertsen en haar onder de kin te strijken. Ze wendt zich minachtend af).

Hugo. Walden, wat 'n juweeltje! Kerel, waarom hebt je ons dit nooit eens gezegd ? 't Is als eene godenverschijning dit midden in den nacht.

(Walden heeft nog juist de kracht om zich op te richten en te zien, dat er iets vreeselijks gebeurd moet zijn. Wankelend loopt hij naar haar toe. De kamenier ziet hem angstig, doordringend aan).

De kamenier (stamelend). Mijnheer.... mevrouw.... op haar slaapkamer.... o God, ze is zoo naar.... 't Is zoo vreeselijk....

Sluiten